Hoge Raad: kopersbescherming bij aanschaf standaardsoftware

In de juridische literatuur wordt in het algemeen aangenomen dat software niet is aan te merken als een zaak. Het zaaksbegrip wordt in artikel 3:2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) als een voor menselijk handelen vatbaar stoffelijk object gedefinieerd. Men kan dan ook nooit de houder zijn van een recht op de volledige (juridische) eigendom van de software, zoals dat bijvoorbeeld wel het geval is bij een huis of een motorfiets. Het is echter wel mogelijk dat men de houder is van de intellectuele eigendomsrechten die op software rusten.
Zo wordt op basis van de Auteurswet (Aw) aan de maker van de software een auteursrecht toegekend. Met het auteursrecht kan de maker op vergaande wijze exclusief over de software beschikken. Het auteursrecht is een vermogensrecht in de zin van artikel 3:6 BW.
 
Omdat software niet kan worden aangemerkt als zaak in de zin van artikel 3:2 BW, is er in de juridische literatuur gedurende lange tijd discussie geweest over de vraag of de kooptitel van boek 7 BW ook van toepassing is op de aanschaf van software. Deze kooptitel bevat aantal bepalingen waarmee de koopovereenkomst en de rechtsbescherming van bij de koop overeenkomst betrokken partijen regelen. In artikel 7:1 BW is bepaald dat koop een overeenkomst is waarbij door de ene partij een zaak wordt gegeven aan de andere partij, waarvoor laatstgenoemde een geldbedrag moet betalen.
In eerste instantie lijkt de kooptitel slechts van toepassing op fysieke zaken. In artikel 7:47 BW is echter neergelegd dat de koopbepalingen ook op vermogensrechten betrekking hebben, wanneer dat in overeenstemming is met de aard van het recht. Deze bepaling is voor de Hoge Raad een van de redenen om de kooptitel ook op de aanschaf van standaardsoftware van toepassing te verklaren. Uit de bepaling blijkt namelijk dat de wetgever een ruim bereik aan de kooptitel heeft willen geven.
Dit blijkt uit een recent gewezen arrest. Het geschil draaide om standaardsoftware welke gebreken vertoonde. De organisatie die de software heeft aangeschaft (de licentienemer) heeft over die gebreken zijn beklag gedaan bij de softwareleverancier. Bijna drie jaar later heeft de licentienemer de leverancier gedagvaard, en voor de rechter onder andere een vergoeding van de geleden schade gevorderd. De leverancier beriep zich echter op de verjaringstermijn van artikel 7:23 BW, waarin is neergelegd dat dergelijke rechtsvordering twee jaar na het uiten van klachten verjaren. Volgens de leverancier is dit beroep mogelijk omdat de kooptitel van boek 7 BW op de aanschaf van standaardsoftware van toepassing is. De Hoge Raad is het daarmee eens.
 
Hoewel deze beslissing in dit geval niet als zodanig uitpakt, is zij in het algemeen gunstig voor degenen die standaardsoftware aanschaffen, dus voor de licentienemers. De bepalingen van de kooptitel zijn dwingendrechtelijk van toepassing wanneer de licentienemer een particuliere consument is, wat betekent dat de verkopende leverancier daarvan niet ten nadele van de licentienemer kan afwijken door middel van bijvoorbeeld zijn algemene voorwaarden. Dat kan wel wanneer het een business to business softwarecontract betreft. Dat moet wel expliciet tussen partijen overeen worden gekomen, iets wat in bovenstaande zaak overigens niet had plaatsgevonden.
De kooptitel bevat onder andere een conformiteitsregeling. Deze houdt kort gezegd in dat het aangeschafte object moet beantwoorden aan hetgeen de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. Aangezien conformiteit hiermee iets anders is dan garantie, is het goed denkbaar dat deze regeling kan leiden tot onenigheid bij de aanschaf van software. Dat komt omdat het niet altijd duidelijk is wanneer software, waarvan man men redelijkerwijs niet kan verwachten dat het geen gebreken bevat, voldoet. Bovendien beschikt de licentienemer vaak niet over dezelfde kennis van zaken als de leverancier. Belangrijk is bijvoorbeeld de vraag of de licentienemer op grond van de conformiteitsregeling van de softwareleverancier mag verwachten dat de programmatuur met regelmaat van een update wordt voorzien, en of de software kan worden gebruikt in combinatie met andere programmatuur.
 
De bijzondere bepalingen over de koop op afstand (artikel 7:46a en verder BW) zijn volgens de Hoge Raad ook van toepassing op de aanschaf van standaardsoftware. Dit betekent onder andere dat de overeenkomst door de licentienemer zonder opgaaf van reden kan worden ontbonden wanneer de programmatuur op afstand is aangeschaft, waarna hij de software (in ongeopende verpakking) weer moet overdragen aan de leverancier. Van belang zijn tevens de bepalingen van de hierboven reeds genoemde verjaringsregeling van de kooptitel. De licentienemer moet vanwege de bepalingen tijdig handelen wanneer hij bijvoorbeeld de schade die hij door gebrekkige standaardsoftware heeft opgelopen, wil verhalen op de leverancier.
 
Dat de kooptitel op de aanschaf van standaardsoftware van toepassing is, wordt door de Hoge Raad als wenselijk beschouwd. Dit omdat zo de rechtspositie van de licentienemer wordt versterkt. De Hoge Raad bepaalt bovendien dat het voor de toepasselijkheid niet uitmaakt of de aangeschafte software wordt geleverd op een gegevensdrager, of door middel van een download. De rechtspositie van met name de particuliere licentienemer op standaardsoftware is dankzij het arrest dus aanzienlijk verbeterd.
De licentienemer op maatwerksoftware staat er niet per definitie minder goed voor. De meeste softwareontwikkelingsovereenkomsten zullen immers kunnen worden aangemerkt als overeenkomst van opdracht, waaromtrent de wetgever in artikel 7:400 en verder BW enige zaken heeft geregeld. De meeste van deze bepalingen zijn echter niet van dwingendrechtelijke aard, en ze bevatten bovendien geen conformiteitsregeling. Dit laatste betekent bijvoorbeeld dat de partijen er uit eigen beweging voor moeten zorgen dat in de overeenkomst iets geregeld is omtrent de verdeling van de aansprakelijkheid in het geval dat de maatwerksoftware gebreken bevat.
In de praktijk wordt maatwerkprogrammatuur vooral geleverd in het kader van een business to business softwarecontract, en niet tussen softwareleverancier en een consument. Hierdoor is de rechtspositie van de licentienemer in de meeste gevallen vergelijkbaar met die wanneer hij standaardsoftware aanschaft. Van de bepalingen van de kooptitel kan immers worden afgeweken wanneer het om business to business handel gaat. De bedrijfsmatig handelende licentienemer heeft in de meeste gevallen daarom nog steeds een grote eigen verantwoordelijkheid bij het zich verschaffen van een degelijke rechtspositie.

Bronnen

HR 27 april 2012, LJN BV1301. Vindplaats: http://zoeken.rechtspraak.nl/detailpage.aspx?ljn=BV1301