Reikwijdte auteursrechtelijke bescherming software

Recentelijk zijn er in de rechtspraktijk enkele stappen genomen waarmee meer duidelijkheid omtrent de omvang van de bescherming van software is verkregen. Deze bescherming is gebaseerd op het auteursrecht dat maker van software krijgt. Hiermee heeft hij het exclusieve recht om de software te verhandelen en verder te ontwikkelen.
De bescherming is het resultaat van de Europese Softwarerichtlijn, die in Nederland in de Auteurswet is geïmplementeerd. Dit is de reden dat het Europese Hof van Justitie de hoogste uitlegger is van de reikwijdte van die bescherming. Inmiddels zijn aan het Hof een aantal vragen van nationale rechters rond dit onderwerp voorgelegd.
Auteursrecht op gebruikersinterface?
In 2010 heeft het Hof van Justitie een arrest (Bezpečnostní softwarová asociace) gewezen. In het arrest ging het om de vraag of de grafische gebruikersinterface van een computerprogramma onder de auteursrechtelijke bescherming van software valt. Volgens het Hof worden met de softwarerichtlijn die onderdelen van een computerprogramma en het voorbereidend materiaal beschermd, waarmee het programma zelf of een reproductie ervan tot stand kan worden gebracht. Die onderdelen betreffen met name de bron- en objectcode van een computerprogramma.
De grafische gebruikersinterface echter, is volgens het Hof vooral een interactieve interface die de communicatie tussen de software en de gebruiker er van faciliteert. Het is een element dat louter bedoeld is om optimaal gebruik te kunnen maken van het computerprogramma, en waarmee het computerprogramma niet kan worden gereproduceerd. Met een screenshot van een gebruikersinterface heeft men immers niet voldoende basis om de software in dezelfde vorm (na) te maken.
Wanneer men software heeft gemaakt die wordt beschermd in het auteursrecht, wordt de gebruikersinterface dus niet automatisch object van die bescherming. Het is evenwel nog steeds mogelijk dat op de gebruikersinterface een auteursrecht rust, omdat deze creatieve elementen bevat. De gebruikersinterface komt dan als een zelfstandig en oorspronkelijk werk naast de software in aanmerking voor auteursrechtelijke bescherming.
In het gros van de gevallen is echter niet creativiteit, maar functionaliteit leidend voor de indeling en het uiterlijk van de gebruikersinterface. Daarom is de interface van de meeste programmatuur niet beschermd.
Auteursrecht op functionaliteit, programmeertaal en/of bestandsformaten?
Meer recent is aan het Hof van Justitie in het arrest SAS Institute de vraag voorgelegd of de functionaliteit van een computerprogramma, de programmeertaal waarin het geschreven is en de (eigen) bestandsformaten waarmee het werkt onder de auteursrechtelijke bescherming van software vallen. Bij de beantwoording van deze vraag bekijkt het Hof andermaal of met deze onderdelen het softwarepakket kan worden gereproduceerd. Het Hof oordeelt dat dat niet het geval is, en daarmee ook dat deze onderdelen van een computerprogramma niet onder de auteursrechtelijke bescherming ervan vallen.
Ten aanzien van de functionaliteit van software merkt het Hof nog op dat de auteursrechtelijke bescherming ervan zou leiden tot het frustreren van de technologische vooruitgang, iets wat niet de bedoeling is.
Een belangrijke gevolgtrekking van dit arrest is ten slotte dat het auteursrecht op software niet kan worden gebruikt om reverse engineering tegen te gaan. De gebruiker ervan mag daarmee de achterliggende ideeën en beginselen van software betrekken bij het ontwikkelen van nieuwe programmatuur met een vergelijkbare functionaliteit, zolang daarbij maar niet de broncode kopieert. De auteursrechthebbende op de software kan dat ook niet tegengaan in de gebruikerslicentiebepalingen.
Uitputting van het auteursrecht op (als download aangeboden) software?
Onlangs zijn er ook nog enige ontwikkelingen geweest rond de vraag of uitputting van het auteursrecht op software onder de huidige wetgeving mogelijk is. Uitputting betekent kortgezegd dat de auteursrechthebbende zich niet kan verzetten tegen de verdere verspreiding van zijn werk, op het moment dat het eenmaal rechtmatig in Europa op de markt is gebracht. De regel is wat de handel in software betreft, neergelegd in artikel 4 lid 2 van de Europese Softwarerichtlijn. Dit laatste betekent dat het Europese Hof van Justitie ook de hoogste rechterlijke instantie is die zich over uitputtingskwesties kan uitspreken.
 
In de Usedsoft-zaak, welke momenteel nog aanhangig is bij het Hof van Justitie, moet dat nog gebeuren. Eind april echter, zijn de conclusies van de Advocaat-Generaal (A-G) van het Hof in deze zaak gepubliceerd. De conclusies worden door het Hof betrokken bij haar beoordeling.
Het gaat in deze zaak om software die door de maker ervan (Oracle) wordt gedistribueerd via het internet. Met de licentie die een gebruiker na aanschaf verkrijgt, kunnen de software en de updates ervan op elk moment gedownload en geïnstalleerd worden. Een aantal van de gebruikers van de software heeft zijn licentie doorverkocht aan Usedsoft, een onderneming die handelde in gebruikte softwarelicenties. Oracle verzet zich tegen de handelwijze van Usedsoft. Laatstgenoemde partij stelt echter dat haar handelen niet onrechtmatig is vanwege de toepasselijkheid van de uitputtingsregel.
 
De A-G van het Hof onderzoekt allereerst of de uitputtingsregel van toepassing is wanneer rechtmatig een exemplaar van de software wordt gedownload door de licentiehouder. De A-G overweegt allereerst dat de uitputtingsregel van toepassing is wanneer sprake is van de verkoop van een auteursrechtelijk beschermd werk. Dat is onder andere het geval wanneer software wordt aanschaft welke wordt geleverd op een (fysieke) gegevensdrager.
Vervolgens stelt de A-G zich op het standpunt dat de uitputtingsregel ook van toepassing is wanneer de software in het verkeer wordt gebracht door deze tegen een vergoeding als download beschikbaar te stellen. De A-G legt aan zijn oordeel mede ten grondslag het feit dat voor de software van Oracle een vaste prijs moet worden betaald en dat de programmatuur voor onbeperkte tijd kan worden gebruikt. Hierdoor moeten de handelingen van Oracle als ‘verkoop' in de zin van artikel 4 lid 2 van de Softwarerichtlijn worden aangemerkt. Als dat niet het geval zou zijn, zou er afbreuk worden gedaan aan het ‘nuttig effect' van de uitputtingsregel.
 
De uitputtingsregel is zoals gezegd van toepassing op de verdere verspreiding van een reeds in het verkeer gebracht exemplaar van een auteursrechtelijk beschermd werk. Daarom is voor het reproduceren van een dergelijk werk nog steeds de toestemming van de auteursrechthebbende nodig. Het (opnieuw) downloaden van de software van de website van Oracle moet als dergelijk reproduceren worden aangemerkt, aldus de A-G. Daarmee wordt het effect van de toepasselijkheid van de uitputtingsregel op software die als download wordt verspreid aanzienlijk ingeperkt.
Het is voor Usedsoft slechts mogelijk om de software van Oracle verder te verhandelen wanneer deze wordt aangeboden in de vorm van de gegevensdrager waarop de download van de software door de eerste gebruiker zich bevindt. Hiermee is de uitputtingsregel van mindere betekenis bij het verspreiden van software door deze als download aan te bieden dan het geval is bij het verspreiden van software middels een (traditionele) gegevensdrager. Hoewel het Hof van Justitie zich nog een eigen oordeel moet vormen, laten de conclusies van de A-G in deze zaak reeds zien dat de auteurswetgeving helaas niet altijd goed aansluit op de complexe werkelijkheid in de softwarewereld.

Op 3 juli 2012 heeft het Europees Hof van Justitie uitspraak gedaan in de Usedsoft-zaak. Het Hof heeft daarbij voor een belangrijk deel de hierboven beschreven conclusies van de A-G van het Hof gevolgd. Het Hof bepaalt dat software mag worden doorverkocht als deze als rechtmatige download aan de eerste licentienemer op die software is geleverd. Bepalingen in de licentieovereenkomst waarin de overdraagbaarheid van een softwarelicentie wordt uitgesloten, zijn volgens het Hof niet in lijn met de uitputtingsregel in artikel 4 lid 2 van de Softwarerichtlijn en daarmee ongeldig.

Doorverkoop van een softwarelicentie mag alleen plaatsvinden wanneer de verkoper zijn exemplaar van de software verwijdert. Bovendien moet volgens het Hof van Justitie de softwarelicentie voor onbepaalde tijd zijn verleend. Met name die laatste eis geeft softwareleveranciers de mogelijkheid om doorverkoop van software alsnog aan banden te leggen. De koop van een licentie waarvan de geldigheid in tijd is beperkt, is natuurlijk minder aantrekkelijk dan de koop van een licentie die deze beperking niet kent. Daarbij speelt ook dat steeds meer software wordt geleverd conform het SaaS-businessmodel, waarbij de software niet meer op de hardware van de licentienemer wordt geïnstalleerd. Hierdoor worden ‘traditionele’ softwarelicenties steeds schaarser. De uitspraak van het Hof hoeft dus geen grote gevolgen voor softwareleveranciers te hebben, mits zij hun licentievoorwaarden en/of leveringsconstructie daarop aanpassen.

Bronnen

  1. HvJ 2 mei 2012, zaak C-406/10 (SAS Institute). Vindplaats http://curia.europa.eu/juris/liste.jsf?language=nl&num=C-406/10
  2. Conclusie AG HvJ EU 24 april 2012, zaak C-128/11 (UsedSoft). Vindplaats: http://curia.europa.eu/juris/liste.jsf?language=nl&num=C-128/11 .